Friday, January 18, 2013

De geboorte van mijn burgerlijke ongehoorzaamheid


Laatst reed ik na een lange koude rit op mijn toermotor door de drukke straten van de Amsterdamse Pijp tot vlakbij mijn huis. Tegenwoordig niet geheel ongewoon, door het alsmaar toenemende chaotische verkeer, is het voor mij routine geworden om overal rustig langsheen te slalommen zonder ooit vast te komen staan. En ook toen, nog een bocht verwijderd van mijn huis, zou ik mij niet tegen laten houden door een heuse opstopping van tegemoetkomend verkeer. In de straat waar de grootste supermarkt en parkeergarage van de buurt zich bevindt was men van alles aan het doen op het spaarzame wegdek, behalve zich voortbewegen.
Het was een aaneenschakeling van stilstaande hectiek. Vrachtvervoer stond midden op de weg pallets en containers uit te laden, daarachter zag ik supermarktgangers opportuun hun boodschappen in hun achterbak prakken, die op hun beurt de toegang blokkeerde tot de naastgelegen parkeergarage, wat weer tot gevolg had dat daar achter een hele stoet van aanhoudend claxonnerende automobilisten de doorgang blokkeerde van één van de drukste verkeersaders van Amsterdam. Kortom, ik was getuige van de zoveelste gezellige obstipatie en de daarbij horende kakafonie, van een o zo levendig straatbeeld waar ik als geboren Amsterdammer mijn hele leven lang al geen genoeg van kan krijgen.

Zoals eerder opgemerkt, normaal gesproken was het Amsterdamse straatverkeer geen zorg voor mij (hierom was ik immers een ontspannen tweewieler geworden), ware het niet dat de kleine doorgang recht voor mij, van nog geen twee meter breed, die nog wél beschikbaar was, strategisch in beslag werd genomen door een ter plekke arriverende politieagent.. te brommer. De gehelmde en bebaarde ordehandhaver zag mij naderen en wenkte mij vanaf zijn zadel met opgestoken handpalm om op een afstand van ongeveer dertig meter te stoppen. Nou moest ik even fronsen vanwege de logica van de goede man om wegens de obstipatie van vierwielers ook tweewielers tegen te houden, maar kon mij niet heugen mij ooit verzet te hebben tegenover een handhaver van de Amsterdamse verkeerspolitie. Dus ook die keer berustte ik keurig en gedwee met mijn vingers gekruist in mijn schoot.
In eerste instantie keek ik geamuseerd naar het tafereel wat zich ontspon. De kleine ietwat gedrongen man had zijn voertuig strategisch geparkeerd, gelijk een verdedigingslinie voor alles wat passeren wilde, en liep daarna energiek gesticulerend richting chauffeur en bijrijder van de vrachtwagen. Deze reageerden echter niet snel genoeg op hem omdat ze te druk in de weer waren om zo snel mogelijk hun paletten op de plaats van bestemming te brengen en moesten daarom alles even neerleggen, want ze moesten eerst luisteren, want ze deden het niet goed, want ze hadden een standje verdiend en aanwijzingen nodig.
Achter zijn rug om werd de wet in ruime mate overtreden doordat fietsers en masse probeerden de wegversperring te omzeilen en één vrouwspersoon daarbij klunzig de scooter aanstootten. Dit licht krassende geluid veroorzaakte een ruk van de nek en een kreet van de ordehandhaver die weliswaar niet kon voorkomen dat de vrouw met kinderzitje Oost-Indisch doof haar weg vervolgde. Het voorval kietelde enigszins mijn gemoed maar deed ook een zweem van afgunst en eerbied opwellen.
De overige fietsers hielden het voor gezien, stapte wel of niet af, en ontvluchtte de toesnellende agent via het voetpad. De nog immer gehelmde beambte bleef met lege handen achter, peinsde even, keerde wederom richting chauffeur die inmiddels met een container in zijn handen stond, om alsnog zijn verhaal af te ronden.
Ondertussen keek ik zelf nog maar eens glazig om mij heen, bestudeerde een gevel, en zei binnensmonds het alfabet achterstevoren op. Pas nadat ik het omgekeerde alfabet voor de tweede keer voltooid had, probeerde ik actief niet na te denken. Niet te denken aan de afgelopen verkiezingen, niet aan hoe het land volgepropt wordt zonder dat iemand daar wat over te zeggen heeft, niet aan hoe de natuur overal verdwijnt en/of doorkruist wordt, niet aan aannemers en wethouders die samen lepe plannen smeden, niet aan mijn acute gevoel van machteloosheid, maar vooral niet aan hoe we met z’n allen belazerd en beleerd worden.
Doordat de chauffeur en bijrijder, lichtelijk nerveus van het op de vingers gekeken worden, van alles uit hun handen lieten glippen, duurde het inladen van de nog wachtende paletten en containers veel langer dan normaal het geval geweest zou zijn. Maar uiteindelijk was dan toch het eerste obstakel, de vrachtwagen schuin naast mij, vertrokken.
De agent was zichtbaar tevreden met zijn prestaties. Hij straalde zelfverzekerdheid uit, voelde zich gesteund door de controle die hij had uitgeoefend, en keerde zich nu naar de boodschappende menigte voor de supermarkt. Die hadden zich intussen wat tijd gegund. De voorste automobilist, ondanks dat zijn tassen nog niet allemaal waren ingeladen, was zelfs bereid geweest om vijf meter door te rijden zodat de volgende zijn plekje voor de ingang van de supermarkt kon innemen, aldus nog steeds in hevige mate het verkeer blokkerend. Dat moest afgelopen zijn, sommeerde de diender. Terecht, want op de t-splitsing gold een stilstand- en parkeerverbod.

Maar hier mijn consternatie. In plaats van resoluut een einde te maken aan de wanorde en het getoeter ging de man met z’n rug naar het hamsterende volk op het zadel van z’n wegversperring zitten. Hij was in het bezit van een welvaartsbuikje en was misschien wat moe geworden van al dat drukke gecommandeer en wachtte nu zittend af totdat het volk, wat zijn Nederlands niet begreep en wat overigens niet uit de Pijp maar van elders komt om voor een hele week aan boodschappen in te slaan, klaar en verzadigd was.
Het duurde even voordat ik het plaatje registreerde. Het doorbrak namelijk mijn verwachtingspatroon. Mijn verwachting dat de overheid er is om problemen op te lossen in plaats van ze te creëren. Iets wat ik mijzelf nog steeds deed laten geloven. Ik had namelijk naast een wél functioneel optreden tegen de overtreders verwacht dat de politieagent zijn scootertje zou wegzetten op de stoep of op een vrijgekomen parkeerruimte en mij die honderd meter die mij nog restte naar mijn voordeur zou laten uitrijden.
Plotseling voelde ik mij gediscrimineerd. Dit was de druppel die de emmer van mijn burgerlijke gereserveerdheid deed overlopen. Ik seinde een keer of twee naar hem waarop ik nog een keer zijn handpalm te zien kreeg.. en geboren was de homo vehiculum superior, geboren was mijn burgerlijke ongehoorzaamheid. Met een korte draai aan de gashendel accelereerde ik vliegensvlug op hem af, om bewust het wit van zijn ogen te ontbloten, om vijf meter voor inslag beheerst tot stilstand te komen en met onvervalste Amsterdamse verontwaardiging te vragen ‘En waarom staat ú nog steeds in de weg?’ Even was het onvergetelijk stil om mij heen. Even was er dat moment van genoegdoening. Even zag ik onzekerheid en angst, een waarneembare kortsluiting in het brein van mijn kleine, dikkige, gehelmde, bebaarde Nemesis.. op zijn koddig-kleine, rood-bestreepte witte gemeente-scootertje.

Maar ach, uiteindelijk boekte ik natuurlijk weinig tijdwinst met mijn burgerlijke ongehoorzaamheid. Het gezag startte metaalachtig rochelend de scooter en trok jengelend op om walmend en naknetterend naast mij tot stilstand te komen en mijn papieren en rijbewijs te gebieden. Walkietalkie in de aanslag, boze ogen, zichtbaar ontdaan. Ik deed niet minder nurks terug en beet hem toe, ‘Mijn papieren? Tuurlijk! U bent tenslotte het gezag. Dan kan je immers doen en laten wat je wilt.’ Sneller dan het licht haalde ik mijn mapje met documenten uit mijn borstzak en sloeg het in zijn opgehouden hand, hem onderwijl boos observerend met mijn armen over elkaar geslagen. Licht geïntimideerd stapte hij van zijn wegversperring af, die hij nu midden op het wegdek achterliet, en liep naar de stoep om met behulp van zijn walkietalkie mijn gegevens op te vragen.
Zuchtend keek ik naast mij en registreerde hoe het een automobilist eindelijk gelukte om centimeter voor centimeter de scooter te omzeilen, wist te ontsnappen terwijl het gezag nog immer met mij bezig was.
Maar ook ik was nog lang niet klaar met het gezag. Ik vroeg mij af waar mijn rebellie zo plotseling vandaan kwam. Realiseerde ik me opeens dat dat kwam omdat mijn stad mij stelselmatig is afgenomen, door een sociaal experiment verziekt werd? Door commerciële evenementen voor iedereen behalve de Amsterdammer zelf geheel uit balans is? Verstikt wordt door een steeds grotere hoeveelheid lelijkheid, drukte en fijnstof? Onherkenbaar is geworden, door de steeds schaarsere cultuur van ruimdenkendheid en alternatieve geesten? Verruild met mensen op de trap die na tien jaar nog steeds geen Nederlands spreken? En meende ik dat het gezag daarvoor verantwoordelijk was? Deze falende politieagent de schuld- zo niet een product was van dat decennialange beleid? Ja, want datzelfde gezag moest nu, om haar grootschalige falen te kunnen blijven ontkennen, met alle mogelijke middelen proberen haar gelijk door te drammen.
Tussen veel gepiep en gekraak door hoorde ik dat de agent eindelijk het oordeel over mij te horen kreeg. Ik kon niet alles opvangen maar vernam dat hij via de damesstem aan de andere kant over de afgelopen vijf jaar alleen een paar lichte snelheidsovertredingen kon opspitten..  die allemaal keurig betaald waren. Dat maakte mij uiteraard veel braver dan ik in werkelijkheid was. Ik glunderde uitbundig naar hem, waarop hij onzeker wegkeek. Na zijn doorvragen klonk de damesstem meer en meer plichtmatig beleefd. Werd hem duidelijk gemaakt dat de centrale lastig werd gevallen met een modelburger? Hij kon nog een detail over mij uit de dame persen, iets wat ik niet verstond, maar ook daar ging zijn gezicht niet vrolijker van staan. Nee, er viel werkelijk niets te halen, en elders waren er roofovervallen aan de gang. De verbinding werd verbroken. Hij schreef nog iets van importantie op in zijn boekje en gaf daarna zichtbaar teleurgesteld mijn papieren terug met de norse woorden ‘Iedereen denkt alleen maar ikke, ikke, ikke. Iedereen heeft altijd maar haast.’ Waarop ik terug blafte: ‘Vindt u het gek. Door u krijgt iedereen last van haast.’