Laatst reed ik na een
lange koude rit op mijn toermotor door de drukke straten van de Amsterdamse
Pijp tot vlakbij mijn huis. Tegenwoordig niet geheel ongewoon, door het alsmaar
toenemende chaotische verkeer, is het voor mij routine geworden om overal rustig
langsheen te slalommen zonder ooit vast te komen staan. En ook toen, nog een
bocht verwijderd van mijn huis, zou ik mij niet tegen laten houden door een heuse
opstopping van tegemoetkomend verkeer. In de straat waar de grootste supermarkt
en parkeergarage van de buurt zich bevindt was men van alles aan het doen op
het spaarzame wegdek, behalve zich voortbewegen.
Het was een
aaneenschakeling van stilstaande hectiek. Vrachtvervoer stond midden op de weg
pallets en containers uit te laden, daarachter zag ik supermarktgangers opportuun
hun boodschappen in hun achterbak prakken, die op hun beurt de toegang
blokkeerde tot de naastgelegen parkeergarage, wat weer tot gevolg had dat daar
achter een hele stoet van aanhoudend claxonnerende automobilisten de doorgang
blokkeerde van één van de drukste verkeersaders van Amsterdam. Kortom, ik was
getuige van de zoveelste gezellige obstipatie
en de daarbij horende kakafonie, van een o zo levendig straatbeeld waar ik als geboren
Amsterdammer mijn hele leven lang al geen genoeg van kan krijgen.
Zoals eerder opgemerkt,
normaal gesproken was het Amsterdamse straatverkeer geen zorg voor mij (hierom
was ik immers een ontspannen tweewieler geworden), ware het niet dat de kleine doorgang recht voor mij, van nog
geen twee meter breed, die nog wél beschikbaar was, strategisch in beslag werd genomen
door een ter plekke arriverende politieagent.. te brommer. De gehelmde en
bebaarde ordehandhaver zag mij naderen en wenkte mij vanaf zijn zadel met
opgestoken handpalm om op een afstand van ongeveer dertig meter te stoppen. Nou
moest ik even fronsen vanwege de logica van de goede man om wegens de
obstipatie van vierwielers ook tweewielers tegen te houden, maar kon mij niet
heugen mij ooit verzet te hebben tegenover een handhaver van de Amsterdamse
verkeerspolitie. Dus ook die keer berustte ik keurig en gedwee met mijn vingers
gekruist in mijn schoot.
In eerste instantie keek
ik geamuseerd naar het tafereel wat zich ontspon. De kleine ietwat gedrongen
man had zijn voertuig strategisch geparkeerd, gelijk een verdedigingslinie voor
alles wat passeren wilde, en liep daarna energiek gesticulerend richting
chauffeur en bijrijder van de vrachtwagen. Deze reageerden echter niet snel
genoeg op hem omdat ze te druk in de weer waren om zo snel mogelijk hun
paletten op de plaats van bestemming te brengen en moesten daarom alles even
neerleggen, want ze moesten eerst luisteren, want ze deden het niet goed, want
ze hadden een standje verdiend en aanwijzingen nodig.
Achter zijn rug om werd de
wet in ruime mate overtreden doordat fietsers en masse probeerden de
wegversperring te omzeilen en één vrouwspersoon daarbij klunzig de scooter
aanstootten. Dit licht krassende geluid veroorzaakte een ruk van de nek en een
kreet van de ordehandhaver die weliswaar niet kon voorkomen dat de vrouw met
kinderzitje Oost-Indisch doof haar weg vervolgde. Het voorval kietelde
enigszins mijn gemoed maar deed ook een zweem van afgunst en eerbied opwellen.
De overige fietsers
hielden het voor gezien, stapte wel of niet af, en ontvluchtte de toesnellende
agent via het voetpad. De nog immer gehelmde beambte bleef met lege handen
achter, peinsde even, keerde wederom richting chauffeur die inmiddels met een
container in zijn handen stond, om alsnog zijn verhaal af te ronden.
Ondertussen keek ik zelf nog
maar eens glazig om mij heen, bestudeerde een gevel, en zei binnensmonds het
alfabet achterstevoren op. Pas nadat ik het omgekeerde alfabet voor de tweede
keer voltooid had, probeerde ik actief niet
na te denken. Niet te denken aan de afgelopen verkiezingen, niet aan hoe
het land volgepropt wordt zonder dat iemand daar wat over te zeggen heeft, niet
aan hoe de natuur overal verdwijnt en/of doorkruist wordt, niet aan aannemers
en wethouders die samen lepe plannen smeden, niet aan mijn acute gevoel van
machteloosheid, maar vooral niet aan hoe we met z’n allen belazerd en beleerd worden.
Doordat de chauffeur en
bijrijder, lichtelijk nerveus van het op de vingers gekeken worden, van alles
uit hun handen lieten glippen, duurde het inladen van de nog wachtende paletten
en containers veel langer dan normaal het geval geweest zou zijn. Maar uiteindelijk
was dan toch het eerste obstakel, de vrachtwagen schuin naast mij, vertrokken.
De agent was zichtbaar tevreden
met zijn prestaties. Hij straalde zelfverzekerdheid uit, voelde zich gesteund
door de controle die hij had uitgeoefend, en keerde zich nu naar de
boodschappende menigte voor de supermarkt. Die hadden zich intussen wat tijd
gegund. De voorste automobilist, ondanks dat zijn tassen nog niet allemaal
waren ingeladen, was zelfs bereid geweest om vijf meter door te rijden zodat de
volgende zijn plekje voor de ingang van de supermarkt kon innemen, aldus nog
steeds in hevige mate het verkeer blokkerend. Dat moest afgelopen zijn,
sommeerde de diender. Terecht, want op de t-splitsing gold een stilstand- en parkeerverbod.
Maar hier mijn
consternatie. In plaats van resoluut een einde te maken aan de wanorde en het
getoeter ging de man met z’n rug naar het hamsterende volk op het zadel van z’n
wegversperring zitten. Hij was in het bezit van een welvaartsbuikje en was
misschien wat moe geworden van al dat drukke gecommandeer en wachtte nu zittend
af totdat het volk, wat zijn Nederlands niet begreep en wat overigens niet uit
de Pijp maar van elders komt om voor een hele week aan boodschappen in te
slaan, klaar en verzadigd was.
Het duurde even voordat
ik het plaatje registreerde. Het doorbrak namelijk mijn verwachtingspatroon.
Mijn verwachting dat de overheid er is om problemen op te lossen in plaats van
ze te creëren. Iets wat ik mijzelf nog steeds deed laten geloven. Ik had namelijk
naast een wél functioneel optreden tegen de overtreders verwacht dat de
politieagent zijn scootertje zou wegzetten op de stoep of op een vrijgekomen
parkeerruimte en mij die honderd meter die mij nog restte naar mijn voordeur
zou laten uitrijden.
Plotseling voelde ik mij
gediscrimineerd. Dit was de druppel die de emmer van mijn burgerlijke
gereserveerdheid deed overlopen. Ik seinde een keer of twee naar hem waarop ik
nog een keer zijn handpalm te zien kreeg.. en geboren was de homo vehiculum
superior, geboren was mijn burgerlijke ongehoorzaamheid. Met een korte draai
aan de gashendel accelereerde ik vliegensvlug op hem af, om bewust het wit van
zijn ogen te ontbloten, om vijf meter voor inslag beheerst tot stilstand te
komen en met onvervalste Amsterdamse verontwaardiging te vragen ‘En waarom staat ú nog steeds in de weg?’
Even was het onvergetelijk stil om mij heen. Even was er dat moment van
genoegdoening. Even zag ik onzekerheid en angst, een waarneembare kortsluiting
in het brein van mijn kleine, dikkige, gehelmde, bebaarde Nemesis.. op zijn koddig-kleine,
rood-bestreepte witte gemeente-scootertje.
Maar ach, uiteindelijk boekte
ik natuurlijk weinig tijdwinst met mijn burgerlijke ongehoorzaamheid. Het gezag
startte metaalachtig rochelend de scooter en trok jengelend op om walmend en
naknetterend naast mij tot stilstand te komen en mijn papieren en rijbewijs te
gebieden. Walkietalkie in de aanslag, boze ogen, zichtbaar ontdaan. Ik deed niet
minder nurks terug en beet hem toe, ‘Mijn
papieren? Tuurlijk! U bent tenslotte het gezag. Dan kan je immers doen en laten
wat je wilt.’ Sneller dan het licht haalde ik mijn mapje met documenten uit
mijn borstzak en sloeg het in zijn opgehouden hand, hem onderwijl boos
observerend met mijn armen over elkaar geslagen. Licht geïntimideerd stapte hij
van zijn wegversperring af, die hij nu midden op het wegdek achterliet, en liep
naar de stoep om met behulp van zijn walkietalkie mijn gegevens op te vragen.
Zuchtend keek ik naast mij
en registreerde hoe het een automobilist eindelijk gelukte om centimeter voor
centimeter de scooter te omzeilen, wist te ontsnappen terwijl het gezag nog
immer met mij bezig was.
Maar ook ik was nog lang
niet klaar met het gezag. Ik vroeg mij af waar mijn rebellie zo plotseling vandaan
kwam. Realiseerde ik me opeens dat dat kwam omdat mijn stad mij stelselmatig is
afgenomen, door een sociaal experiment verziekt werd? Door commerciële
evenementen voor iedereen behalve de Amsterdammer zelf geheel uit balans is? Verstikt
wordt door een steeds grotere hoeveelheid lelijkheid, drukte en fijnstof?
Onherkenbaar is geworden, door de steeds schaarsere cultuur van ruimdenkendheid
en alternatieve geesten? Verruild met mensen op de trap die na tien jaar nog
steeds geen Nederlands spreken? En meende ik dat het gezag daarvoor
verantwoordelijk was? Deze falende politieagent de schuld- zo niet een product was
van dat decennialange beleid? Ja, want datzelfde gezag moest nu, om haar
grootschalige falen te kunnen blijven ontkennen, met alle mogelijke middelen
proberen haar gelijk door te drammen.
Tussen veel gepiep en
gekraak door hoorde ik dat de agent eindelijk het oordeel over mij te horen kreeg.
Ik kon niet alles opvangen maar vernam dat hij via de damesstem aan de andere
kant over de afgelopen vijf jaar alleen een paar lichte snelheidsovertredingen
kon opspitten.. die allemaal keurig
betaald waren. Dat maakte mij uiteraard veel braver dan ik in werkelijkheid
was. Ik glunderde uitbundig naar hem, waarop hij onzeker wegkeek. Na zijn
doorvragen klonk de damesstem meer en meer plichtmatig beleefd. Werd hem
duidelijk gemaakt dat de centrale lastig werd gevallen met een modelburger? Hij
kon nog een detail over mij uit de dame persen, iets wat ik niet verstond, maar
ook daar ging zijn gezicht niet vrolijker van staan. Nee, er viel werkelijk
niets te halen, en elders waren er roofovervallen aan de gang. De verbinding
werd verbroken. Hij schreef nog iets van importantie op in zijn boekje en gaf
daarna zichtbaar teleurgesteld mijn papieren terug met de norse woorden ‘Iedereen denkt alleen maar ikke, ikke,
ikke. Iedereen heeft altijd maar haast.’ Waarop ik terug blafte: ‘Vindt u het gek. Door u krijgt iedereen
last van haast.’
No comments:
Post a Comment